Dag 25 —> Fromista (62 km)
5 juni 2024 - Frómista, Spanje
Zoals gebruikelijk eerst onze wederwaardigheden van gisterenavond in Sahagun. Direct bij onze rondgang vielen allerlei stalen hekwerken op die in opbouw zijn. Zijstraten worden ermee afgesloten en winkelpuien beschermd. Al snel zien we dan wat de reden is voor deze barricades op grote affiches: op 14 juni is hier stierenrennen, iets dergelijks als in Pamplona. En als klap op de vuurpijl is er de volgende dag een stierengevecht in de plaatselijke arena.
Om met dat laatste te beginnen: een paar jaar geleden heb ik een volledige stierenvechtpartij op de TV gezien en het was een deerniswekkend schouwspel. Een stier wordt op alle mogelijke manieren gesard, gepijnigd en gemarteld en het dier doet vergeefse pogingen van zijn kwellers af te komen. De stier maakt daarbij de domme fout om de rode lap aan te vallen in plaats van de matador. Het gevolg is dat de stier bijna altijd het onderspit delft. Er zal nog eindeloos veel gesleuteld moeten worden aan het concept alvorens stierenvechten een heuse olympische sport kan worden.
Toch behoorlijk anders is het stierenrennen. Stieren worden door de straten van een stad gejaagd en jonge mannen wagen zich temidden van de razende groep of rennen daar vooruit. Herhaaldelijk wordt er iemand op de horens genomen en elk jaar vinden wel enige mensen de dood. Op deze wijze lijkt het een iets meer eerlijke strijd tussen mens en dier maar de stieren zijn alsnog veroordeeld tot de dood omdat ze vervolgens gepromoveerd worden tot arenastier.
Als ik stier was, en als geen melkproducerend dier daardoor veroordeeld was tot de gehaktballenindustrie, zou ik graag toch meedoen aan dat stierenrennen en zoveel mogelijk mensen met mijn horens doorboren zodat hun darminhoud in hun buikholte terecht komt hetgeen vaak een bitter einde van de betreffende persoon betekent. En zou ik in de arena terechtkomen, dan zou ik mij op de matador focussen en niet op zijn rode lap.
Juist, dat waren dus gisterenavond mijn mijmeringen na de grote posters bekeken te hebben. Door de gedachte als stier ook mijn mannetje te kunnen staan en een glas koele cervezzo met groene olijven op een afgelegen terras, kalmeerde ik allengs. We zetten de tocht voort, en kwamen langs de Benedictijner abdij uit het jaar 1080. In die tijd was het al een steunpunt voor de pelgrims en nog steeds kan je er overnachten. De bedevaarten naar Santiago werden mogelijk toen de Moren uit het noorden van Spanje verdreven werden en dat is dus duizend jaar geleden. Zouden er in het jaar 3024 nog steeds mensen de Jacobsroute lopen? Ik denk van wel, maar dan alleen in de winter wanneer het dan even warm is als nu in de zomer.
We liepen door een antieke poort in Sahagan en zagen twee erg oude kerkjes, beide met een karakteristieke toren in Mudajar (Moorse) stijl: vierkant met grote vensters die plaats bieden aan een stuk of vijf marmeren pilaren. Veel te zien dus in dit stadje dat bij binnenkomst gisteren zo armetierig leek.
Wij waren de enige gasten in de hostel wat veel vrijheid gaf. We maakten een menu van bruine bonen met schimmelkaas met sla (zonder koriander gelukkig) en een ei. We deelden een blikje bier en sliepen als ossen.
Vandaag vertrekken we weer met de zon op onze kop. Het is nu al redelijk warm. We volgen rustige wegen die grotendeels vergezeld worden door een hobbelig peregrinopad. We komen weer ontelbare pelgrims tegen, veel fris en vrolijk, maar later op de dag ook twijfelgevallen. Een pelgrim loopt op de asfaltweg; hij sleept een wandelkar mee waarop hij zijn overvolle rugzak gebonden heeft. Kennelijk is het geen pretje om met zo’n kar op stenige wegen te lopen.
Na twintig kilometer stoppen we bij een gelegenheid voor een kop koffie. Lelijke muziek schalt naar buiten en wij zoeken een tafeltje op zover mogelijk van die herrie. Een busje stopt en laadt rugzakken uit voor wandelaars met een arrangement met bagagevervoer. Die kunnen zich ‘s avonds in smoking aan het diner zetten.
De weg voert door landbouwgrond die net geploegd is. Op sommige stukken liggen afgeronde keien schouder aan schouder. Dan zien we merkwaardige ronde bouwsels met bovenin duivengaten. En daartussen staan vierkante lemen gebouwtjes zonder zichtbare deur of raam. Waarvoor dienen zij? M begint te klagen over stank. Het is uitgebloeid koolzaad dat rijp is om geoogst te worden. Ik ruik nix. Zou M ook een bijzondere genetische reukvariant hebben zoals ik heb voor koriander? Wat dat laatste betreft: ik hoorde dat dochter I ook die zeepsmaak proeft, maar hoe zit het met mijn verdere bloedverwanten?
In Corrion de los Condes lijkt het te sneeuwen. Het zijn de pluizen van populieren die hier de winter nabootsen. We kopen kersen en tandpasta en drinken koffie. Het is niet ver meer.
In Fromista betrekken we een stapelbed in de slaapzaal in de Albergue Estrella del Camino. We hebben onze slaapzakken dus toch niet voor nix meegenomen. Door een heerlijk koel glas bier wordt ik weer mens en kan daardoor dit verhaal vertellen. Morgen gaan we naar Burgos, dat is ongeveer nog 70 km en de weg lijkt redelijk vlak. We zijn nu over de helft van het Spaanse deel van de Camino. We hebben er steeds meer plezier in.


Prachtig klaprozenveld. Ik wil ze graag schilderen maar krijg niet vaak de kans.
Dat bijzondere korianderverhaal heb ik inmiddels te berde gebracht aan tafel en een van de aanzittenden zei bij koriander inderdaad ook een zeepsmaak te proeven, maar die vond dat LEKKER! Zodra hij een keer bij mij komt eten, krijgt ie zijn gangen op ingezeepte borden, met een stukje keukenzeep als toetje.