Dag 18 —> Arzua (50 km)
Gisterenavond om ca. zes uur beginnen we - zoals geconditioneerde Nederlanders betaamt - honger te krijgen. Het restaurant van de buurman is vanavond gesloten en zo’n beetje alle eettenten in de binnenstad gaan pas om acht open. En dan heb je nog het gezeur dat je vegetariër bent en de waard dan zijn kip of kabeljauw aanbeveelt. Maar de Dia is vlakbij en we kopen een grote schaal selecte sla, een stuk smeuïge schimmelkaas, een bakovenvers bruinbrood en een paar blikjes bruisend bier. Dat consumeren we op onze kamer. Daarna hebben we alle tijd voor een ronde in de binnenstad. Het is koeler en het is druk op straat.
Voor een soort school staat een groep studenten. Ze hebben Palestijnse vlaggen en iemand deelt foldertjes uit. Het ziet er erg vreedzaam uit. Dan komen we weer op het grote plein voor de kathedraal waarvan de contouren nu scherp afsteken in het schuin in vallende licht van de avondzon. We laten ons fotograferen door een Vlaams sprekende jongen: neen, hij is geen Belg maar woont in de buurt. Zijn moeder kwam uit Antwerpen maar zijn vader is van hier. Verderop maakt een groepje in mooie kostuums geklede mannen muziek. Maar we blijven niet te lang luisteren, voor ons is het al weer bijna bedtijd. We raadplegen de i-phone en lopen een tijdje met het groeiende gevoel dat er iets niet klopt. En welja, het kompas dat de kaart in de goede richting zou positioneren blijkt 180 graden af te wijken. Dat zou ook de oorzaak kunnen zijn van de dolerij daags tevoren.
Woensdag is het onderwijl en wij gaan welgemoed op pad. Er is geen wind, de zon schijnt vrolijk en het is zelfs aan de kille kant, zodanig dat we de komende uren bij langere afdalingen onze jas aandoen. We volgen een gladde asfaltweg met erg weinig verkeer. Lopende pelgrims hebben een andere route maar wel komen we gedurende de hele dag drie vakantie-fietsers tegen. Niet veel voor zo’n officiële fietsroute (we volgen die uit hoe gids van Clemens Sweerman).
De weg kronkelt door de bossen maar nabij de weg is er plaats voor akkers en weiland. In het bermgras zijn twee vrouwen en een oudere man iets aan het zoeken. Ze plukken de aren van een speciaal soort gras. Ze gebruiken dat voor de mis, begrijpen wij. Even verderop ziet M ook datzelfde gras en determineert dat met ObsIdentify. ‘Trilgras’ vertelt het apparaat ons. Nu dus de vraag aan onze (ex)-roomse lezers: hoe, wat, waar, waarom?
Dan zien we een bar. We bestellen een croissant erbij en worden verrast met een mega-uitvoering van dat baksel. Nu de cafeïne-spiegel in ons bloed weer genormaliseerd is, gaan wij met nieuwe energie voort. Bij steilere stukjes stappen we vaak af. Een hert schiet weg uit de berm. Op straat ligt een halfverpletterde hond. Verderop zien we echte Nederlandse koeien grazen in de wei.
Een paar kilometer voor onze bestemming wordt het opeens erg druk. Een autosnelweg blijkt hier te eindigen. M ziet een bijzonder plantje, stopt en ik rijd even door en wacht na een bocht in de schaduw. Waar blijft ze? Dan zijn mobieltjes handig. M had mij niet voorbij zien komen en dacht dat ik een zijweg ingeslagen was. Na een kwartier zijn we weer verenigd. En blij. En zo eindigt deze Kasteelroman voor vandaag.


Het gras op één van jullie foto's, met die hangende kerstboompegels, ken ik wel van vroeger. Via de juf van de lagere school werden we ertoe aangezet die pegeltjes met gekleurd zilverpapier te omwikkelen. In een vaas stond dat fleurig en we hadden blijkbaar toch niks beters te doen.
De ganzen in Niels Holgersson's Wonderbare Reis roepen steeds over en weer: Hier ben ik, waar ben jij?, hier ben ik, waar ben jij?... Met debieltjes kan dat net zo goed natuurlijk. Schattig hoor!
Het antwoord moest dan zijn: 'taltaar' en als je dat antwoordde zei hij: "nee, torgel "
Wij hebben t gewoon in de tuin in Grou. Misschien weet de kerkWiki het dan wel?